Lessen van jonge ontwerpers

Gesprekken met een aantal jonge ontwerpers brengen mooie parallellen en verschillen tussen onze ontwerpprocessen en opleidingen naar voren.

2 feb 2016 | blog, ontwerp

Afgelopen weken sprak ik een aantal jonge ontwerpers. Bij een Pop Up masterclass van een goede vriendin/ collega sprak Thomas, een architect die binnenkort zijn opleiding aan de prestigieuze Cooper Union in New York afrondt. Bij de open dag van de Technische Universiteit Eindhoven sprak ik een aantal gepassioneerde studenten Industrial Design. Natuurlijk moest ik regelmatig terugdenken aan mijn eigen opleiding Industrieel Ontwerpen in Delft, tig jaar geleden. Ik ontdekte een aantal overeenkomsten en een aantal verschillen tussen hun en mijn ontwerpproces, en tussen de didactiek van nu en van toen. In deze blog verken ik paar overeenkomsten en leer ik van de verschillen die me opvielen.

Een belangrijke overeenkomst tussen de huidige opleidingen aan de Cooper Union en de Technische Universiteit Eindhoven en mijn eigen opleiding toentertijd aan de Technische Universiteit Delft is het ‘ervaringsleren’. Ontwerpen werd en wordt duidelijk gezien als een professie die niet alleen uit de boeken te leren is, maar die je moet leren door te doen. In gilde-achtige setting ervaringen opdoen met steeds complexere opgaven. Onderdeel van de complexiteit is het aantal stakeholders, het aantal te combineren disciplines en de schaal van de ontwerpopgave. Waar Thomas een aantal jaar geleden nog een interieurontwerp maakte voor ons achterhuis, had hij nu voorbeelden van een gebedshuis, een universiteitsbibliotheek en een waterkering voor Manhattan! Ik herken dit ook in het organisatieontwerp. Ik geef regelmatig les in organisatieontwerp maar mijn indruk is dat mensen het pas echt in de vingers krijgen als ik ook een tijdje als een soort werkbegeleider mee mag oplopen in hun project.

Een tweede opvallende overeenkomst is het ‘absorberende karakter’. Ontwerpopgaven hebben de neiging voortdurend in je hoofd te blijven zitten, ze laten je niet los en vragen veel tijd en energie. Mijn ervaring is ook dat dat helpt om de opgave in al zijn facetten te leren zien en zowel het grove ontwerp als de talloze details met elkaar te verbinden. Voor mij zelf betekent dit bij tijd en wijle lange werkdagen en altijd een pen en papier naast mijn bed (ik wil ’s nachts nog wel eens invallen krijgen). Ook deze jonge ontwerpers storten zich met al hun passie op de opgaven. Ik zag de grote studio’s waar alle leerjaren studenten aan hun projecten werken (en die dag en nacht open zijn en gebruikt worden). Dat zouden we in het organisatieontwerp trouwens ook kunnen doen – er een aparte studio voor inrichten! En soms kan het ook geen kwaad er wat meer tijd voor te nemen.

Dat brengt me op een opvallend verschil: de studenten krijgen nu veel opener opgaven dan de opgaven die ik destijds kreeg. De studenten kregen opgaven als ‘iets voor de gezondheid van verplegers’ of ‘een zelfportret zonder verwijzing naar een lichaam’. Daarmee is er veel meer aandacht voor het fuzzy front end van het ontwerp, de fase van het zoeken naar de vraag, van de vraag achter de vraag, naar stakeholders en hun wensen. Dit soort opgaven vraagt om een uitgebreidere onderzoeksfase en biedt meer mogelijkheden om out-of-the-box te denken. Dat werd ook weerspiegeld in het curriculum door veel keuzeruimte. Twee typerende, wijze uitspraken van Thomas: ‘ook analyse is constructie’ en ‘ik heb eigenlijk vooral goed leren kijken’. Mijns inziens een goede ontwikkeling want als organisatieontwerper zie ik maar al te vaak dat deze fase te snel wordt doorlopen. Helaas met veel kopieer-ontwerpen tot gevolg.

De opener opgaven leiden ook tot ontwerpprocessen waarin meer wordt samengewerkt, meer iteraties en meer, mooiere tussenontwerpen. Waar ik werd opgeleid als brede generalist zodat ik met ander disciplines kon praten, deze jonge ontwerpers doen het ook. Al tijdens de studie werken ze samen met studenten van andere opleidingen. Ook betrekken ze hun afnemers veel meer in het ontwerpproces, juist al in de onderzoeksfase. Ze springen veel meer op en neer tussen analyse en ontwerp dan ik destijds leerde. Dat vraagt ook meer en beter uitgewerkte tussenontwerpen. Het adagium van Cooper Union ‘je praat niet over iets dat niet aan de muur hangt’. Ook weer een mooie aanvulling. Als organisatieontwerper heb ik het samenwerken met andere disciplines en afnemers en de snelle iteraties wel geleerd. Op het punt van uitgewerkte tussenontwerpen materialiseren kan ik en het organisatieontwerp nog wel wat leren. Daar blijf ik nog vaak hangen in lappen tekst….

Heel inspirerend vond ik de ontwerpopgaven die welbewust werden gestart vanuit een schijnbaar ongerelateerd concept dat toch een essentie van het ontwerp omvatte. Zo moest Thomas maandenlang vormen ordenen in een stilleven als opmaat voor het gebedshuis (hetgeen hij nog niet wist). Dat doet me denken aan het ontwerp van Interpolis rondom het concept vertrouwen en van Buurtzorg rondom goede zorg. Voor het ontwerp van de juridische afdeling afgelopen jaar ging het bijvoorbeeld over een ontwikkeling richting ‘de geest van de wet’ ipv de letter van de wet. Door echt de essentie te pakken kan je heel congruent en mooi ontwerpen. Bij organisatieontwerp beperken we ons vaak tot een herontwerp waar we veel van de bestaande deelontwerpen in stand laten. Ik vind het dan ook mooi dat je steeds vaker hoort dat een nieuwe organisatie naast de oude wordt opgezet. Lijkt me prachtig om dat eens te mogen doen.

Passend bij de opener opgaven en co-creërende, conceptuele ontwerpprocessen, die veel vragen van de ontwerper, is de aandacht voor de ontwikkeling van de identiteit van de ontwerper in spé. Zowel in New York als in Eindhoven worden de studenten uitgedaagd hun eigen visie op de opgave, het ontwerp, de maatschappelijke context en zichzelf te vormen. Het professionele, ambachtelijke karakter van het vak wordt gevat in de ontwikkeling van je ‘eigen handtekening’ als ontwerper. Daarmee zijn (later) de onbepaaldheid en onzekerheden van het ontwerpen te hanteren. Sprekend was in dit verband de opmerking dat ‘de docent gelooft meer in me dan ikzelf’. Dat doet me denken aan mijn eigen trajecten waar ik soms het idee heb de onzekerheid van de klantorganisatie te helpen hanteren met mijn visie op organisatieontwerp. En eerlijk gezegd – ik ben er zelf ook veel zekerder door geworden.

Tot slot een laatste inzicht: het schrijven van dit blog en daartoe moeten expliciteren van de overeenkomsten en verschillen helpt me erg bij het leren van de twee ontmoetingen. Ook een vorm van tussenontwerp en materialisatie!