‘Meespelen’ en ‘afstand nemen’?

Terugkijkend op mijn organisatieontwerp en ontwikkelopdrachten van het afgelopen jaar, concludeer ik dat ik graag intensiever betrokken ben en meer verantwoordelijkheid wil dragen.

 

13 jan 2016 | blog

Afgelopen weken keek ik terug op mijn eerste jaar als fulltime organisatieadviseur. Ik volgde een workshopreeks ‘Mijn eigen praktijk’ bij Phoenix en sprak met vriend(inn)en en Bart (mijn man). Om mijn bespiegelingen vast te houden maar ook om het doorgaande gesprek hierover te vergemakkelijken, schrijf ik dit blog. Bij deze het verzoek aan lezers om te reageren en me zo weer een stapje verder te helpen in mijn leerproces J. Overigens met veel dank aan Marguerithe, Leike, Chris en Mark wiens reacties ik hier al in heb verwerkt!

Een dik jaar geleden zegde ik mijn dienstverband bij Sioo op. Ik werk nog wel voor – maar niet meer bij Sioo. Het ontwikkelen van professionaliseringsprogramma’s en begeleiden van Sioo groepen was (en is) leuk, maar ik genoot het meest van het schaduwadvies op de klussen van deelnemers. Soms was ik bijna jaloers – dat wilde ik ook zelf doen! Mijn bureau van ‘erbij’ verheffen naar hoofdtaak gaf me de mogelijkheid om meer zelf met de voeten in de (organisatieveranderings)klei te staan. De verhouding ‘eigen opdrachten : Sioo werk’ is omgedraaid en dat klopt voor mij, dat voelt nog steeds goed!

Ik heb dit eerste jaar mogen bijdragen aan het ontwerp en de ontwikkeling van verschillende professionele organisaties. Als ik probeer vast te pakken wat ik bijdraag, dan is dat mijn ontwerpersplek, taal en logica die de organisatie beter, leuker en slimmer(1) kan maken. Vanaf de ontwerpersplek kijk ik met enige afstand naar de organisatie en juist daardoor kan ik tot haar kern doordringen. De ontwerperstaal en logica gaan over het kijken vanuit verschillende perspectieven, het combineren van disciplines en het redeneren van behoeften naar vorm en vice versa. Ook dat gaat over ‘afstand nemen’ en ‘kijken naar’. Beiden staan als het ware tegenover ‘volledig opgaan in het (organisatie)spel’(2).

De ontwerpersplek, taal en logica heb ik geleerd tijdens mijn opleiding als ontwerper. Die lessen heb ik meegenomen en vertaald naar het organisatiekundige veld. Eigenlijk kende ik het ‘afstand nemen’ en ‘kijken naar’ al eerder. Ik was een gevoelig kind dat zich regelmatig letterlijk fysiek terugtrok. De fysieke afstand hielp me om beter te begrijpen wat er gebeurde en tot rust te komen. Ook later in mijn werk heb ik lastige periodes gekend, vooral wanneer mijn organisatie een koers uitzette waar ik niet achter kon staan. Mijn sterke betrokkenheid kon me erg serieus en normatief maken. Ook dan hielp het me om afstand nemen, het speelveld of de opgave te overzien en op andere manieren te kijken naar de situatie. Dat bood ruimte voor speelsheid en humor met ruimte voor alternatieve verklaringen en oplossingen.

Tegelijk ben ik ook nog wel aan het zoeken en heb ik nog wat te leren, juist op dat punt van afstand nemen. Want ik kan mijn klant(organisatie) wel meehelpen afstand te nemen, maar wanneer is hoeveel afstand goed? En hoeveel afstand is eigenlijk goed voor mij?

Afstand nemen vooronderstelt dat er eerst geen afstand was. Dus dat er eerst wel relatie, verbinding en betrokkenheid was. Als extern adviseur heb ik dat niet. Mijn eerste actie is dus om me zo goed mogelijk in te leven in de klant en klantorganisatie. Het kan lang niet altijd, maar het liefst duik ik even in het primair proces om aan de lijve te voelen wat daar gebeurt. Ik maak het me zo eigen dat ik me ook even deel van die organisatie kan voelen.

De (periodes tijdens de) opdrachten dat ik intensief betrokken was vond ik het leukst. Hoe meer ik bij de klantorganisatie was, zelf indrukken opdeed en verhalen hoorde, hoe beter ik kon bijdragen. Voortdurend kon ik alle grote en kleine indrukken relateren aan de beweging die we wilden maken en bepalen welke deel van de organisatie welke stappen zou kunnen zetten.

Opdrachten waar ik ‘erin en eruit vloog’ of alleen vanuit een puur adviserende rol meespeelde, vond ik minder leuk. Naar mijn gevoel ben ik dan ook minder effectief. Echt lastig vond ik het als er mijns inziens meer nodig was om de verandering echt goed vorm te geven en te laten beklijven. Dan was er dus eigenlijk teveel afstand: de belangrijke spelers doorzagen wellicht onvoldoende wat nodig was op de werkvloer en ik stond letterlijk buiten. In mijn ogen moet de afstand dan dus eigenlijk kleiner, ofwel precies de omgekeerde beweging.

Wat brengen deze overpeinzingen me nu? Mijn werk gaat dus over klant(organisaties) helpen afstand te nemen, anders te kijken, het speelveld of opgave te overzien, alternatieven te ontwikkelen en zo weer hun rol in het speelveld op te pakken. Dat kan ik goed want voor mij als ontwerper is dat soort van tweede natuur. Maar afgelopen jaar leert me ook dat er soms teveel afstand kan zijn. Dat het soms juist nodig is om volledig in het spel te gaan staan om door te gaan tot de details van het dagelijkse spel. En dat ik dat ook graag wil, dat ik dat leuk vind en dan meer bij kan dragen.

Als ik deze conclusie doortrek naar mijn opdrachten en rollen, betekent dit een ontwikkeling naar minder maar tijdsintensievere opdrachten en rollen met meer verantwoordelijkheid. Niet alleen adviserend maar ook (mee)acterend als regisseur of lid van regiegroep oid. In die rol en met die groep variërend met de benodigde afstand en brillen. Natuurlijk komen dan de valkuilen van teveel betrokkenheid weer naar voren. Om daarmee om te gaan zal ik ervoor moeten zorgen om zelf een anker buiten te houden, bijvoorbeeld in de vorm van een andere opdracht of een maatje die mij helpt reflecteren. Dat past goed bij mijn zelfstandig adviseurschap zoals ik dat nu heb ingericht. Vanuit een afstandje naar mijn eigen bureau kijkend kan ik dus zeggen: het klopt nog steeds, en een doorontwikkeling naar meer ‘erin opdrachten’ past bij het komende jaar.

(1) Met dank aan Jeanette Knol die in haar Proefschrift de klantwaarde, medewerkerswaarde en organisatiewaarde kernachtig samenvat in de begrippen goed, leuk en slim.

(2) Heifetz gebruikt de metafoor op het balkon (van een afstandje kunnen kijken en zo het spel kunnen overzien) en op de dansvloer (acteren in het spel in de dagelijkse praktijk)